De eenzame gitaar

Eindelijk vond ik een geest tot mijn boodschapper en kan ik mij tot je richten.

Je laten delen in wat ik voel, wat mij overheerst, mijn dagen vult, mij doet verlichten.

Ik heb je zo veel, zo veel en lang te vertellen.

Er is te veel, dat mijn hart te veel doet zwellen.

Mijn verleden, zo bepalend voor mijn toekomst, mede, maant mij nu tot spoed.

Mijn heden, welke toekomst wacht mij, hoe doet een leven goed?

Ik moet het je vertellen nu, ik moet, ik kan niet anders!

’T donker moet keren naar ‘t licht, de stilte moet veranderd.

Mijn leven vliedt voorbij, ongemerkt, ongekend wat ligt in ‘t verschiet.

Lang heb ik geaarzeld: doe ik het of toch ..... durf ik niet?

Maar zie hier, de schroom overwonnen, doet de hoop weer gloren, mijn twijfels gaan teniet.

Wie ik ben?: Martin, als je je nog herinnerd? Die je soms, heel soms nog ziet.

Waar ik verblijf is het eenzaam, zo eenzaam duister, zo vaak verstikkend lang!

Wel warm en rustig lijkt het, maar nu mijn geest dreigt het te begeven, nu geraak ik bang.

Het gemis aan de beroering van mij en van mijn ziel, de trillingen die je mij bezorgde, toen ik mij aan jou warmde.

Je streling, zachte druk, soms slag, soms even dwingend, soms o zo liefkozend,

soms zo vredig dicht bij je geest, zo nabij verpozend, wanneer je mij omarmde.

O, waar is dat, mijn gevoel, o eeuwig schoon verlangen?

Eenzaam viert dit donker nog slechts een herinnering, vervagend in een mist van verre stemmen, soms in klanken, soms gezangen.

Gescheiden door materie, in plaats van verbonden in emotie, waar ging die toch heen?

Zonder dat, zonder wederzijds verlangen, voel ik mij zo vreselijk alleen.

Vaak hoor ik muziek vanuit mijn donkere kast, van heel nabij.

Maar toch .... mijn ziel droeg daaraan niet bij.

Zo een ongelijk verlangen, gelijk Pinoccio denk ik: ik leef!

Maar .... is er iemand die mij hoort? Die mij wat warmte geeft?

Nee, ik blijf vrijwel in stilte, slechts wat in beweging als muziek echt heel hard smacht.

Maar ook dan, zonder mij. Niemand die mij hoort, daar heel alleen, ik blijf, ik wacht.

Onderwijl is daar de spanning die mijn al beheerst, van buik tot hals, zij wordt mij vaak te machtig.

Die spanning, ongeremd en ongerijmd, altijd zo vreselijk krachtig.

Altijd bij mij, ongedeeld, geen enkel leed verzachtend.

Zij doet mij buigen, bijna barsten, terwijl geen beweging mij beroert, stil wachtend.

Ik heb haar nodig, ongedeeld, gelijk zij mij.

Samen kunnen wij gehoren strelen, geven aan de zielen vreugd, samen blij.

Zelfs troost kan ik dan schenken, maar ach, gaf iemand dat eerst mij ....

Ik lijdt in stilte, zonder troost en vrijwel levenloos.

Ik voel mij zwakker worden, steeds wat zwakker, steeds meer broos ....

Soms, heel soms, wordt ik wel aangehaald, ontwaak ik uit mijn sluimer vrij.

Dan voel ik plots weer lucht en zie ik licht, verblindend, voel ik klanken stromen, zo nabij!

Voel weer verrukking, diep geraakt, ik huiver en ik tril!

Voel het leven dan weer in mij stromen, wat een contrast, hoe schril!

Dan leef ik op, beef van verlangen en ga ontembaar vibreren,

wil meevoelen aan de ziel van die, die mij beroert, en ik beroeren ga, die ik ga vereren.

Wil ik gloeien uit het duister, veel geven van mijn hart,

mijn licht verspreiden als een aura, mijn klanken achterna, ik tart

de stilte die mij lang omgaf, die klankloos mij bestreed.

Ik ben er weer, ik klink weer op, ik ben er weer, ik leef!

Maar dan, ach dan, zo teleurstellend weer!

Mijn klanken zijn niet mooi vertellend meer.

Mijn zieleklanken, vervormd door verstikkend donk’re lucht, verward

door een tekort aan beroering, noch teder, noch hard.

Die mij nam voelt dit ook en begint, zonder emotie, mijn spanning te verhogen, weer.

Ik voel mij buigen, voel de spanning in mijn nerven, dan weer minder, dan weer meer.

Ach wee, zo ineens, mijn aderen buigen, mijn hart vervormt, van kam tot brug doet zeer,

gelijk een speer gestoken diep in mij, die pijn, ik kan niet meer!

Mijn hals, ooit fier en recht, voel ik steeds meer torderen.

De onthouding, doet zich hevig voelen, ik moet het nieuw gaan leren.

En dan, ineens, nog niet bekomen van die pijn, terwijl ik ween,

gebeurt toch weer het wonder: klanken dwarrelen uit, en om, en over, voor en door mij heen.

Ik voel het weer: ik leef, ik zing, vibreer en welf!

En al dient steeds mijn spanning bijgesteld, ik kom langzaam, heel langzaam tot mijzelf.

Mijn hals wordt warm, mijn snaren trillen,

mijn nerven geven diep vanuit mijn hart de mooiste klanken weer, o hoe zij willen!

Ik herinner mij weer vroeger tijden. Toen ik veel en vaker leefde, mijn hals zo recht,

hoe veel ik werd bespeeld en daarbij ook gezongen, heel oprecht.

Juist als ik, vrijwel dronken van geluk, geloof dat het leven toch rozig voelt,

is daar plots weer stilte terwijl de donkere angst mij overspoelt.

Zo abrupt weggezet, zo ineens, radeloos ben ik! Nee! Stop nu niet! Ga door! Niet weer!

De klanken mij ontnomen en dus niet weergegeven, ben ik, tot sprakeloos gekeerd. Ik kan niet meer!

Die stilte weer, het donker, en o mijn hals, mijn buik, mijn hart, geweld .

O, laat mij leven, laat mij geven: is dat niet slechts wat telt?

Ik heb mij aan je blootgegeven, mijn diepste roerselen verteld.

Je weet nu wat mijn ziel beroert en ook wat ik zelden nog beleef, is je gemeld.

De spanning lijkt daardoor wel afgenomen, maar toch: zij blijft diep in mij hangen.

Ik voel mij wel wat opgelucht, maar toch: ik blijf gevangen.

Heel soms is daar het licht zoals ik zei, maar toch: meestal het donker.

Het verlangen blijft diep in mij knagen, gelijk het wonder

van de spanning bij ware geliefden: nooit zal zij vervagen.

Maar overwinnen juist, op alle dagen.

Hoe verder nu? Ga ik zo voort, levend in dit nauwe duister?

Niet ongerept, maar steeds meer ongeleefd, zonder de trillingen der liefde, geheel ontluisterd?

Na de eerste maal geen maagd meer, maar sinds lang steeds meer verlangend?

Hoe leefden ik en jij en wij toen wij nog werkelijk samen waren, hoe samenhangend?

Eén ziel soms, toen wij ons begroeven in liefde voor de mooiste klanken.

Ik hoor onze vereeuwigingen nog wel eens, gepaard met je mooie gezangen.

Ik dank je voor die ervaring, je hebt mij zo geroerd.

Ik denk daar graag aan terug, die tijd, de gezangen door ons samen uitgevoerd.

Je gaf mijn hart, mijn ziel, mijn oog een blik op een wereld van gevoel,

Doorstroomde mij met nieuwe gloed, een warm en vuurlijk doel.

Van emoties niet meer diep begraven, maar ontbloot, ontstegen,

bevrijd van ketens, ontketend in nieuw leven, heel intens fijn aaneengeregen.

Waar is die tijd? Zij is voorbij. Dat moest wellicht zo zijn.

Onze levenszucht ging immer verder, naar andere emoties gezocht, soms gevonden.

Soms niet, soms nog wachtend, soms nog niet ontbonden.

Ik proefde dat soms, de wijze waarop je mij beroerde, vertelde het mij.

Daardoor ben ook ik verrijkt, daardoor leerde ook ik bij.

Ik voelde, voelde mee, voelde meer, voelde je steeds versterken.

Leerde angst doorstaan, verwachting koesteren, teleurstelling en blijdschap verwerken.

Ook ik groeide in dit leven, maar kijk meer en meer slechts terug in mijn herinnering.

Ik voel mij vergroeien: in mijn hals, mijn nerven, mijn lichaam, voltrekt zich een verandering.

Door klanken verlaten, emoties in duister gehuld, wederom, ontoereikend, ik ween.

Onbegrip overvalt mij steeds vaker, verwarring, verkilling, ongeroerd, alles loopt dooréén.

Nadert mijn einde? Nu al? Ik kan nog niet, wil nog niet. Mijn glans vervaagt, wordt langzaam dof.

Maar ik heb nog zoveel te geven. Laat je mij geven, geef je mij leven, of ......?

Of, o, hoor nu toch, hoor daar van mijn boodschapper plots, een stem gezonden!

Een idee, luister, een idee! Het duister kan ten einde raken, een oplossing gevonden!

Nog meer in spanning dan ik was, hoe kan ik het verdragen, terwijl de pijn wegdrijft,

oplost, en, terwijl het idee mij overspoelt, langzaam een vorm verkrijgt.

Nog is daar een kans te leven, te geven door de tijd,

aan hen die mijn klanken horen willen, wiens ziel ik dan verblijdt.

Twee zielen één en die ziel doorgegeven,

zo veel meer te bieden dan aan één ziel maar alleen, dan kan ik emoties geven.

Een kans, een kans op rijke klanken, vol met leven, kracht, beroering,

soms heel hard, maar meestal teder en heel zacht, brengt mij in vervoering.

Hoor toch, hoe openbarend, hoe opwindend, mijn snaren trillen van zichzelf, zij beven.

Een ziel, niet eens ver weg, die wil zich met mij delen,

die ziel wil mij weer veel, veel leven geven.

Een ziel, o laat mij gaan. Geef mij een hernieuwd leven.

Ik wil zo graag, de liefde voor de klanken zal altijd blijven overleven.

Dichtbij je bloed van eeuwen her, zal ik dan verblijven.

Gelijk de stroming in de Maas boven drijven

Ik zal je nimmer meer vergeten, hoe ik altijd je vereerde.

Jij leerde mij eens om te geven, geef jij nu wat je mij toen leerde.

Ik zal je echt heel dankbaar zijn, ik zal je laten horen dat wat jij mij liet overkomen,

de ware emoties, oprecht en van heel diep gekomen,

nog levend zijn als gisteren, steeds en blijvend in een stralenkrans.

Ik zal weer leven ...... vertel mij, geef je mij die kans?

Je gitaar,


Martin

dinsdag 21 januari 1997