Denkland

Nacht.
De camping was donker, hoewel miljoenen sterren zich aan een zwarte hemel aftekenden. De kiezels op het pad kraakten onder mijn voeten, terwijl ik naar de toiletten liep. Het sanitaire blok was schaars verlicht, stil en verlaten. In het blok bevonden zich drie toiletruimten, een paar urinoirs en een klein wastafeltje. De wanden tussen de toiletruimten bestonden uit dunne kunststof platen, die een decimeter boven de vloer eindigden. De vloeren waren betegeld met grote vierkante tegels.
Zoals gewoonlijk koos ik het middelste toilet. Ook nu weer vroeg ik me af waarom ik dat deed, maar vond weer geen antwoord. Ik opende de deur en sloot hem achter mij. Op slot. Vreemd dat zo een slot ’s nachts een andere betekenis heeft dan overdag. Overdag niet meer dan jezelf afschermen, ’s nachts om je te beschermen. Beschermen? Waartegen dan? Ik wist het niet en lachte zachtjes om mezelf. Ik schrok van het geluid daarvan in de stilte. Wat klonk dat hier hol en onnatuurlijk. Ik kuchte om een ander geluid te horen. Inderdaad, onnatuurlijk, omdat het geluid zo volledig was in de stilte. Niets ervan werd overstemd door andere geluiden. Ik trok mijn broek naar beneden en ging op de toiletpot zitten. Mijn slippers schraapten over de tegelvloer, hetgeen weer zo een volledig geluid veroorzaakte. Ik schoof nu hard met mijn slippers over de tegels naar de zijwanden van de ruimte. Oorverdovend, zo klonk dat in de stilte.

Dan bedacht ik ineens, mijn voeten nog vlak bij de open onderkanten van de wanden: wat zou ik doen als nu iemand plotseling mijn enkels zou vastgrijpen? Snel schoof ik mijn voeten weer weg van de wanden. Maar om mezelf te bewijzen dat dat een belachelijke gedachte was, plaatste ik mijn voeten demonstratief op de vloer tegen de zijwanden aan. Zie je wel? Er gebeurt niets. Ik plaatste mijn voeten weer gewoon voor mij op de grond. Daarna pakte ik mijn shag uit mijn broekzak en draaide een shagje. Terwijl ik dat aanstak en mijn shag weer in mijn broekzak stopte, hoorde ik vlakbij mij een geluid. Eerst wist ik niet wat het geluid veroorzaakte. Ik trok snel mijn voeten terug en zat stil te wachten op nog een geluid. Daar hoorde ik het weer. Onder mij. Ik keek naar de vloer en dacht dat ik een van de tegels even zag bewegen. Nou ja! Ik keek nog eens goed. Bewoog dat ding nou echt? Ik bukte en raakte met mijn wijsvinger het oppervlak van de tegel aan. Niks bijzonders, gewoon een tegel.

Dan ineens, terwijl ik net mijn vingers terugtrok, bewoog diezelfde tegel weer! Ik schrok nu heftig, mijn hart sloeg over en mijn bloed bonsde in mijn oren terwijl mijn voeten in een reflex zo ver als mogelijk wegschoten van die ene tegel. Een hard geluid weerklonk. Dat was ik, toen ik hard Shit! riep. Wat gebeurt hier, vroeg ik mij in paniek af. Niets, de tegel was weer gewoon een tegel. Maar plotseling begon de tegel te vervormen tot een gezicht. Ogen, wenkbrauwen, een neus en een mond, alles heel goed zichtbaar in de beige tegelkleur. De mond bewoog. Ik was verlamd, zweette, voelde me plotseling ijskoud. De mond bewoog, maakte geluid, maar het geluid verplaatste zich niet door de lucht, maar kwam op de een of andere manier rechtstreeks in mij. Ik luisterde, maar mijn oren hoorden niets. Toch klonk een stem in mijn hoofd. Een heel vriendelijke stem. Schrik niet, zei de stem zacht in mijn hoofd, schrik alsjeblieft niet. Schrik niet, maar luister naar mij. En zit stil, zit vooral heel stil, zei de stem, anders val je! Anders val je? Mijn gedachten kolkten. Ik wist niet wat te denken. Je weet niet wat je moet denken, zei de stem in mijn hoofd. Nee, antwoordde ik hardop. Er ontsnapte mij weer een hartgrondig Shit! toen ik bedacht dat de stem mijn gedachte had ‘gehoord’. Ik begon op te springen, maar dat lukte niet, want mijn voeten zaten vast! Alsof twee onzichtbare handen ze vanonder de wanden vasthielden. Ik voelde paniek en wilde schreeuwen. Stil, rustig, wees alsjeblieft rustig en luister, hoorde ik een stem in mijn hoofd. Was dat nu mijn eigen gedachte, of had een stem echt in mijn hoofd gesproken? Het was die stem, bedacht ik, want de klank was anders dan mijn stem klinkt in mijn hoofd. Ik zei niets. Met een opgeluchte klank zei de stem weer dat ik moest luisteren. Ik luisterde. Als je opstaat val je, zei de stem in mijn hoofd.

Ik kan niet eens opstaan, want mijn voeten zitten vast, wilde ik boos roepen. Maar zelfs voordat de gedachte om dat te zeggen was gevormd, zei de stem in mijn hoofd me dat hij al wist dat ik vast zat. Op de een of andere manier maakte dat me even wat rustiger. Maar … laat me los, dacht ik toen ineens weer. Nee, zei de stem. Maar waarom, wat is dit, wat gebeurt hier? Laat me los! Mijn gevoel van paniek steeg weer. NEE, zei de stem. Luister eerst naar wat ik je te zeggen heb. Je zit bovenop Denkland, vervolgde de stem. Denkland? dacht ik, of vroeg ik dat nou? Ja, Denkland hoorde ik in mijn hoofd. Laat me nou eerst eens rustig uitvertellen, en onderbreek me alsjeblieft niet steeds met je gedachten, zei de stem ongeduldig. Je zit bovenop Denkland. En Denkland bestaat alleen voor wat wij de echte denkers noemen. Mensen die overal over nadenken, die overal iets bij denken, zich overal iets bij afvragen. Je zou Denkland ook Vraagland kunnen noemen, maar dat doet er niet toe, zei de stem. Mensen die altijd maar denken en zich dingen afvragen, mogen ééns in hun leven een keer Denkland bezoeken. Maar, riep ik (ja hardop, ik wist het zeker!), ik WIL helemaal niet naar Denkland! Daar weet je niks van!, zei de stem daarop hard, terwijl daarin plotseling irritatie klonk. Je weet pas iets van Denkland als je er geweest bent. Punt uit! En luister nu verder! Ik luisterde, maar vroeg mij intussen af hoe ik mijn voeten weer los zou kunnen krijgen. En denk niet aan je voeten, terwijl je luistert, zei de stem. Ineens wist ik het: Ik was natuurlijk in slaap gevallen terwijl ik op de wc zat, en droomde nu! Natuurlijk, dat was het! NEE, NATUURLIJK NIET!, brulde de stem nu in mijn hoofd. Je bent wakker, je zit op een wc-pot en je bent aan het luisteren naar een stem die uit een tegel komt! Ja, raar, maar zo is het! En nou wil ik je volle aandacht, want anders moet ik je gedachten uit zetten, en dat wil ik niet, want dan kan ik niet meer tegen je denken, zei de stem. “TEGEN mij denken?”, bedacht ik ….. Ja, tegen je, met je, voor je, aan je, wat je wilt, zei de stem. Maar luister nu eindelijk naar mij! Ik besloot dat te doen. Hoewel, “besloot”?, ik kon toch niet anders? Zo, zei de stem, toen, ik geloof dat je nu eindelijk luistert. Oké, zei ik, al goed, ik luister!

Goed, zei de stem. Dan kan ik dus eindelijk verder gaan. Wat zijn jullie denkers toch moeilijk toe te denken! Dus … je mag dus één keer naar Denkland. En denk nou niet gelijk weer van: “ik wil niet”, wacht even tot ik uitgepraat ben. Daarna mag je bedenken wat je met mijn voorstel wilt doen. VOORSTEL?, dacht ik. VOORSTEL? Man, ik zit hier vast, kan geen kant op, terwijl …. Ja, ja, wacht nou maar even, zei de stem. En vervolgde met: Luister nu! Je mag dus naar Denkland, en dat is een grote eer! Maar daaraan is wel één voorwaarde verbonden. Natuurlijk, dacht ik (dat had ik natuurlijk al bedacht, dat van die voorwaarde!). Ja, ja, zei de stem, ik weet het. Jij had dat natuurlijk al bedacht, je bent tenslotte een denker, dus … Maar, hè, leidt me toch niet steeds af! Waar was ik nou? O ja, de voorwaarde. De voorwaarde is dat je alleen mag denken voor ANDEREN, en dus niet voor jezelf! Niet voor mijzelf? Dat moest ik even tot mij laten doordringen natuurlijk. Niet voor mijzelf? Wat betekent dat dan, vroeg ik mij af. Wel honderd gedachten daarover kwamen in mij op, de een struikelend over de ander. Dat betekent, zei de stem, ongeduldig mijn gedachten onderbrekend, gewoon dat je ALLEEN VOOR ANDEREN gaat denken. Je bent toch erg goed in denken? Ja, bedacht ik, tenminste, dat wil zeggen, dat vind ik meestal wel, ja. Mijn eer was toch wel wat gestreeld. Nou dan, zei de stem, geen probleem dus! Jij denkt alleen voor anderen en daardoor kun je een keer in Denkland komen. Simpel, toch? Eh, ja ….., reageerde ik, ja dat klinkt wel simpel ja. Maar waarom zou ik dat eigenlijk willen doen? Het denken voor, over en aan mezelf bevalt mij uitstekend! Waarom zou ik ALLEEN denken voor anderen? En, kan zoiets eigenlijk wel? Iedereen denkt toch altijd ook voor zichzelf, dat gaat toch ook gewoon vanzelf? En wat moet ik dan in dat Denkland van je? En als ik …. Dat doet er nu allemaal nog niet toe, reageerde de stem nog meer kortaf nu. Wil je of wil je niet? Mijn nieuwsgierigheid was nu toch wel geprikkeld, mijn angst steeds verder naar de achtergrond geduwd.

Maar toch … Geen maar, gewoon ja of nee, zei de stem. Ja, eh …. maar ik …. Oké dan, zei de stem. Je hebt het dus aanvaard. Goed, dan volgt nu het transtegelproces. Het wáááát, dacht ik? Het transtegelproces!, zei de stem, Gewoon, door een tegel heen naar Denkland gaan. Ik begon te lachen. Hoe dwaas was dit nu weer? Midden in mijn lach voelden plots mijn voeten weer vrij. In een reflex tilde ik die op, maar daardoor tuimelde ik voorover van de wc-pot af, recht op de betegelde vloer af. Voor ik mij schrap kon zetten, viel ik verder door dan mijn reactie mij kon weerhouden te doen. En … ik viel dwars door de tegelvloer heen!

Mijn vrouw riep naar mij: Hé, hoor je mij weer niet? Waar ben jij toch steeds met je gedachten? Ik vertelde je net iets!

Ik dacht aan mijn vrouw. Eh, nee, ik dacht vòòr mijn vrouw, dacht daardoor aan haar vriendin die vanmiddag een mooie blauwe sjaal gekocht had. En aan de prijs van die sjaal, maar ook aan de prijs van het lekkere bruine brood dat de bakker op de hoek, die zojuist gescheiden was, ineens behoorlijk verhoogd had. En aan de boodschappen die nog gedaan moesten worden. Weer eens bananen kopen.

Hetgeen zij mij zojuist allemaal vertelde, of dacht. Of “vertelde” ik het juist aan háár? Verwarrend, en zo vermoeiend! Ik sloot mijn ogen.

Ik hoorde je wel, dacht ik, terwijl mijn wenkbrauwen grimmig samentrokken. Ik hoor je altijd! En ik hoor je niet alleen, maar ik denk ook altijd aan je. Maar ook vòòr je. Ik ben er intussen al lang aan gewend dat ik niet alleen voor jou, maar ook voor vele anderen denk. Maar toch, soms, denk ik nog wel eens: Bestond er maar een soort van Denkland, een land waar je alleen voor, over, en aan jezelf kunt denken! De rest kunt buitensluiten. Ik dacht ineens weer aan beige tegeltjes, veilige tegeltjes. Ja, ja, veilige beige tegeltjes. Ik glimlachte. De knellende banden om mijn enkels en polsen voelde ik nu ineens niet meer. Ha! Ja, het ging goed met mij!

Mijn vrouw liep de lange gang af, liep door de deur waarboven het bordje hing: Gesloten Afdeling. De deur viel met een harde klik achter haar in het slot.

En, hoe ging het dit keer? vroeg de passerende hoofdzuster aan mijn vrouw. Het ging weer niet, antwoordde mijn vrouw. Ik dacht echt even dat hij nu wel reageerde op mij, maar nee … Hij zit nog steeds helemaal gevangen in zijn eigen denkwereld! Ze zuchtte diep en liep daarna met trage passen door naar de uitgang. Moe. De zuster keek haar begripvol na. Ik zal hem zo ook maar even bezoeken, dacht zij. O ja, vanavond moet ik de bananen opeten, die worden al helemaal bruin. En de vakantie boeken. Hoe kom ik dáár nu ineens weer op? Nou ja …

Ik glimlachte.

-.-.-.-.-.- EINDE .-.-.-.-.-.-

De eenzame gitaar

Eindelijk vond ik een geest tot mijn boodschapper en kan ik mij tot je richten.
Je laten delen in wat ik voel, wat mij overheerst, mijn dagen vult, mij doet verlichten.
Ik heb je zo veel, zo veel en lang te vertellen.
Er is te veel, dat mijn hart te veel doet zwellen.
Mijn verleden, zo bepalend voor mijn toekomst, mede, maant mij nu tot spoed.
Mijn heden, welke toekomst wacht mij, hoe doet een leven goed?
Ik moet het je vertellen nu, ik moet, ik kan niet anders!
’T donker moet keren naar ‘t licht, de stilte moet veranderd.
Mijn leven vliedt voorbij, ongemerkt, ongekend wat ligt in ‘t verschiet.
Lang heb ik geaarzeld: doe ik het of toch ..... durf ik niet?
Maar zie hier, de schroom overwonnen, doet de hoop weer gloren, mijn twijfels gaan teniet.
Wie ik ben?: Martin, als je je nog herinnerd? Die je soms, heel soms nog ziet.

Waar ik verblijf is het eenzaam, zo eenzaam duister, zo vaak verstikkend lang!
Wel warm en rustig lijkt het, maar nu mijn geest dreigt het te begeven, nu geraak ik bang.
Het gemis aan de beroering van mij en van mijn ziel, de trillingen die je mij bezorgde, toen ik mij aan jou warmde.
Je streling, zachte druk, soms slag, soms even dwingend, soms o zo liefkozend, soms zo vredig dicht bij je geest, zo nabij verpozend, wanneer je mij omarmde.
O, waar is dat, mijn gevoel, o eeuwig schoon verlangen?
Eenzaam viert dit donker nog slechts een herinnering, vervagend in een mist van verre stemmen, soms in klanken, soms gezangen.
Gescheiden door materie, in plaats van verbonden in emotie, waar ging die toch heen?
Zonder dat, zonder wederzijds verlangen, voel ik mij zo vreselijk alleen.
Vaak hoor ik muziek vanuit mijn donkere kast, van heel nabij.
Maar toch .... mijn ziel droeg daaraan niet bij.
Zo een ongelijk verlangen, gelijk Pinoccio denk ik: ik leef!
Maar .... is er iemand die mij hoort? Die mij wat warmte geeft?
Nee, ik blijf vrijwel in stilte, slechts wat in beweging als muziek echt heel hard smacht.
Maar ook dan, zonder mij. Niemand die mij hoort, daar heel alleen, ik blijf, ik wacht.

Onderwijl is daar de spanning die mijn al beheerst, van buik tot hals, zij wordt mij vaak te machtig.
Die spanning, ongeremd en ongerijmd, altijd zo vreselijk krachtig.
Altijd bij mij, ongedeeld, geen enkel leed verzachtend.
Zij doet mij buigen, bijna barsten, terwijl geen beweging mij beroert, stil wachtend.
Ik heb haar nodig, ongedeeld, gelijk zij mij.
Samen kunnen wij gehoren strelen, geven aan de zielen vreugd, samen blij.
Zelfs troost kan ik dan schenken, maar ach, gaf iemand dat eerst mij ....
Ik lijdt in stilte, zonder troost en vrijwel levenloos.
Ik voel mij zwakker worden, steeds wat zwakker, steeds meer broos ....

Soms, heel soms, wordt ik wel aangehaald, ontwaak ik uit mijn sluimer vrij.
Dan voel ik plots weer lucht en zie ik licht, verblindend, voel ik klanken stromen, zo nabij!
Voel weer verrukking, diep geraakt, ik huiver en ik tril!
Voel het leven dan weer in mij stromen, wat een contrast, hoe schril!
Dan leef ik op, beef van verlangen en ga ontembaar vibreren,
wil meevoelen aan de ziel van die, die mij beroert, en ik beroeren ga, die ik ga vereren.
Wil ik gloeien uit het duister, veel geven van mijn hart,
mijn licht verspreiden als een aura, mijn klanken achterna, ik tart
de stilte die mij lang omgaf, die klankloos mij bestreed.
Ik ben er weer, ik klink weer op, ik ben er weer, ik leef!

Maar dan, ach dan, zo teleurstellend weer!
Mijn klanken zijn niet mooi vertellend meer.
Mijn zieleklanken, vervormd door verstikkend donk’re lucht, verward
door een tekort aan beroering, noch teder, noch hard.
Die mij nam voelt dit ook en begint, zonder emotie, mijn spanning te verhogen, weer.
Ik voel mij buigen, voel de spanning in mijn nerven, dan weer minder, dan weer meer.
Ach wee, zo ineens, mijn aderen buigen, mijn hart vervormt, van kam tot brug doet zeer,
gelijk een speer gestoken diep in mij, die pijn, ik kan niet meer!
Mijn hals, ooit fier en recht, voel ik steeds meer torderen.
De onthouding, doet zich hevig voelen, ik moet het nieuw gaan leren.

En dan, ineens, nog niet bekomen van die pijn, terwijl ik ween,
gebeurt toch weer het wonder: klanken dwarrelen uit, en om, en over, voor en door mij heen.
Ik voel het weer: ik leef, ik zing, vibreer en welf!
En al dient steeds mijn spanning bijgesteld, ik kom langzaam, heel langzaam tot mijzelf.
Mijn hals wordt warm, mijn snaren trillen,
mijn nerven geven diep vanuit mijn hart de mooiste klanken weer, o hoe zij willen!
Ik herinner mij weer vroeger tijden. Toen ik veel en vaker leefde, mijn hals zo recht,
hoe veel ik werd bespeeld en daarbij ook gezongen, heel oprecht.

Juist als ik, vrijwel dronken van geluk, geloof dat het leven toch rozig voelt,
is daar plots weer stilte terwijl de donkere angst mij overspoelt.
Zo abrupt weggezet, zo ineens, radeloos ben ik! Nee! Stop nu niet! Ga door! Niet weer!
De klanken mij ontnomen en dus niet weergegeven, ben ik, tot sprakeloos gekeerd. Ik kan niet meer!
Die stilte weer, het donker, en o mijn hals, mijn buik, mijn hart, geweld .
O, laat mij leven, laat mij geven: is dat niet slechts wat telt?

Ik heb mij aan je blootgegeven, mijn diepste roerselen verteld.
Je weet nu wat mijn ziel beroert en ook wat ik zelden nog beleef, is je gemeld.
De spanning lijkt daardoor wel afgenomen, maar toch: zij blijft diep in mij hangen.
Ik voel mij wel wat opgelucht, maar toch: ik blijf gevangen.
Heel soms is daar het licht zoals ik zei, maar toch: meestal het donker.
Het verlangen blijft diep in mij knagen, gelijk het wonder
van de spanning bij ware geliefden: nooit zal zij vervagen.
Maar overwinnen juist, op alle dagen.

Hoe verder nu? Ga ik zo voort, levend in dit nauwe duister?
Niet ongerept, maar steeds meer ongeleefd, zonder de trillingen der liefde, geheel ontluisterd?
Na de eerste maal geen maagd meer, maar sinds lang steeds meer verlangend?
Hoe leefden ik en jij en wij toen wij nog werkelijk samen waren, hoe samenhangend?
Eén ziel soms, toen wij ons begroeven in liefde voor de mooiste klanken.
Ik hoor onze vereeuwigingen nog wel eens, gepaard met je mooie gezangen.
Ik dank je voor die ervaring, je hebt mij zo geroerd.
Ik denk daar graag aan terug, die tijd, de gezangen door ons samen uitgevoerd.
Je gaf mijn hart, mijn ziel, mijn oog een blik op een wereld van gevoel,
Doorstroomde mij met nieuwe gloed, een warm en vuurlijk doel.
Van emoties niet meer diep begraven, maar ontbloot, ontstegen,
bevrijd van ketens, ontketend in nieuw leven, heel intens fijn aaneengeregen.

Waar is die tijd? Zij is voorbij. Dat moest wellicht zo zijn.
Onze levenszucht ging immer verder, naar andere emoties gezocht, soms gevonden.
Soms niet, soms nog wachtend, soms nog niet ontbonden.
Ik proefde dat soms, de wijze waarop je mij beroerde, vertelde het mij.
Daardoor ben ook ik verrijkt, daardoor leerde ook ik bij.
Ik voelde, voelde mee, voelde meer, voelde je steeds versterken.
Leerde angst doorstaan, verwachting koesteren, teleurstelling en blijdschap verwerken.
Ook ik groeide in dit leven, maar kijk meer en meer slechts terug in mijn herinnering.
Ik voel mij vergroeien: in mijn hals, mijn nerven, mijn lichaam, voltrekt zich een verandering.
Door klanken verlaten, emoties in duister gehuld, wederom, ontoereikend, ik ween.
Onbegrip overvalt mij steeds vaker, verwarring, verkilling, ongeroerd, alles loopt dooréén.
Nadert mijn einde? Nu al? Ik kan nog niet, wil nog niet. Mijn glans vervaagt, wordt langzaam dof.
Maar ik heb nog zoveel te geven. Laat je mij geven, geef je mij leven, of ......?

Of, o, hoor nu toch, hoor daar van mijn boodschapper plots, een stem gezonden!
Een idee, luister, een idee! Het duister kan ten einde raken, een oplossing gevonden!
Nog meer in spanning dan ik was, hoe kan ik het verdragen, terwijl de pijn wegdrijft,
oplost, en, terwijl het idee mij overspoelt, langzaam een vorm verkrijgt.
Nog is daar een kans te leven, te geven door de tijd,
aan hen die mijn klanken horen willen, wiens ziel ik dan verblijdt.
Twee zielen één en die ziel doorgegeven,
zo veel meer te bieden dan aan één ziel maar alleen, dan kan ik emoties geven.
Een kans, een kans op rijke klanken, vol met leven, kracht, beroering,
soms heel hard, maar meestal teder en heel zacht, brengt mij in vervoering.

Hoor toch, hoe openbarend, hoe opwindend, mijn snaren trillen van zichzelf, zij beven.
Een ziel, niet eens ver weg, die wil zich met mij delen,
die ziel wil mij weer veel, veel leven geven.
Een ziel, o laat mij gaan. Geef mij een hernieuwd leven.
Ik wil zo graag, de liefde voor de klanken zal altijd blijven overleven.
Dichtbij je bloed van eeuwen her, zal ik dan verblijven.
Gelijk de stroming in de Maas boven drijven
Ik zal je nimmer meer vergeten, hoe ik altijd je vereerde.
Jij leerde mij eens om te geven, geef jij nu wat je mij toen leerde.
Ik zal je echt heel dankbaar zijn, ik zal je laten horen dat wat jij mij liet overkomen,
de ware emoties, oprecht en van heel diep gekomen,
nog levend zijn als gisteren, steeds en blijvend in een stralenkrans.
Ik zal weer leven ...... vertel mij, geef je mij die kans?

Je gitaar,

Martin


(Mario, 21 januari 1997)

De vergeten metronoom

(n.a.v. iemand die een metronoom bij mij vergat)

Hoi,

Ik heb je metronoom hier gevonden! Zij is hier veilig, wordt elke avond door mij met een wollen dekentje toegedekt, met liefde toegesproken en in slaap gesust door mijn vertellen van een lief verhaaltje (uiteraard verteld in een door haar zelf te kiezen cadans).
Zij lijkt geen last van heimwee te hebben en ziet er anderszins verder ook heel gelukkig uit.
Maar dat was pas nadat ik haar beloofde dat zij echt over een paar weken weer terug naar huis mag.
Gezeur over meegaan op vakantie heb ik de kop ingedrukt door te vertellen dat zij daar echt nog niet groot genoeg voor is, en dat het daar VEEL TE WARM voor haar is! Dat leek zij wel te accepteren, hoewel ik soms toch nog wel wat zacht getik (of gesnik?) van haar hoor.
Zij vroeg mij gisteren of je een kokosnoot voor haar gaat meenemen, omdat zij daar een nieuw begeleidings-geluid uit wil destilleren. Ik heb gezegd dat ik dat zou doorgeven aan je. Ik zou het wel fijn vinden als je dat dan ook werkelijk doet! (want we willen natuurlijk allemaal graag vermijden dat zij uit teleurstelling en verdriet misschien wel onjuiste maten gaat aangeven).

Tot slot heb ik haar verteld dat je na terugkomst van je vakantie extra lief voor haar zult zijn, door haar extra vaak te gebruiken. Toen zij dat hoorde fleurde zij best wel wat op! Haar geluidjes klonken gelijk heel mooi in de maat! Lief he!?

Toen zij een keer heel verdrietig vroeg of je haar dan ook nooit meer zou vergeten mee naar huis te nemen, wist ik echt even niet wat ik moest antwoorden. Met een brok in mijn keel zei ik ten slotte: "Natuurlijk niet liefje, maar zij is je niet vergeten hoor, zij wilde je gewoon ook eens een soort vakantie'tje geven, lekker uitrusten in een studio!". Dat leek zij wel te tikken, eh, ik bedoel slikken.

Elke avond vraagt zij of ik het licht aan wil laten omdat zij een beetje bang is in het donker. Daarom heb ik haar hoesje ook maar even afgelaten. En laat ik altijd een klein lampje voor haar aan. Zielig anders, toch?!
Ik moet je tenslotte nog wel even melden dat zij mij vanmiddag toch ineens vroeg naar het telefoonnummer van de Raad voor de Metronoombescherming, hetgeen ik toch wel wat verontrustend vond. Als je mij verteld wanneer je precies terugkomt, kan ik haar wellicht weerhouden van onnodige en onbezonnen daden...
Als e.e.a. onverhoopt toch gaat leiden tot uitzetting uit de ouderlijke macht, wil ik met liefde als haar voogd optreden, dus maak je daarover in elk geval geen zorgen!

:-)

Hier komt het volgende verhaal...